BOLLEN JAN Een opmerkelijk, kleurrijk en regionaal beroemde persoon.

BOLLEN JAN Een opmerkelijk, kleurrijk en regionaal beroemde persoon.

Onder deze titel hielden Hein Jansen en Con van Nieuwenhoven een inleiding voor een zeer druk bezochte bijeenkomst van de Heemkundevereniging op dinsdag 21 november 2017.

De schelmenstreken en ondernemingslust van deze man hebben altijd tot de verbeelding van veel Nederweertenaren en Weertenaren  gesproken.  Een volkse jongen die ver voorbij de grenzen van de beperkte regionale fantasie kon denken en handelen.  Dat hij daarbij de grenzen van het toelaatbare opzocht en ook wel overschreed, maakt hem alleen nog maar interessanter. Sommige ouderen onder ons hebben als kind hem nog meegemaakt, al was het alleen al uit de verhalen van hun ouders, want Bollen Jan was al bij leven een regionale beroemdheid.

Jan Henderiks, alias Bollen Jan, werd in Weert geboren in 1876 als zoon van het echtpaar Henderiks-Hermans (Jan liet overigens overal zijn naam schrijven als Hendriks, terwijl dit Henderiks moet zijn).  Het gezin woonde in de Molenstraat, waar vader Hendriks een graanhandel dreef vanuit het monumentale Muntgebouw.  Het enige gebouw uit die straat dat de kaalslag van de zestiger jaren heeft doorstaan en voortleeft als restaurant in de Muntpassage.  Jan had 6 broers en één zus.  De familie van moederskant, de familie Hermans was en is nog steeds stevig geworteld in de Weerter gemeenschap. Neef Guus Hermans was huisarts en praktiseerde net als later zijn zoon Jos vanuit het monumentale pand op de Oelemarkt. Gemakkelijk voor Bollen Jan, die kon dan door het open raam van de spreekkamer zijn neef om een recept vragen. Hij liet dan vervolgens een knecht het medicijn bij de apotheek ophalen (aldus kleinzoon Jos Smeets). Vanuit een belendend bijgebouw dreef de familie Hermans een groothandel in comestibles en koloniale waren, zeg maar kruideniersartikelen. Dus de familie van zowel vaderszijde als moederszijde behoorde tot de hogere klasse in Weert.

Jan trad al vroeg in de voetsporen van zijn vader, maar was gewiekster.  Tegen het eind van de negentiende eeuw kocht Jan voor een luttel bedrag een in de Rotterdamse haven gezonken schip dat geladen was met bloembollen (daar heeft hij naar alle waarschijnlijkheid ook zijn bijnaam “Bollen Jan” aan te danken).

Jan wist het schip te lichten en de lading bloembollen werd in Weert met graan gemengd en vermalen tot veevoer. Dit product wist Jan met dikke winst aan de boeren te verkopen.

Inmiddels was Jan rond 1900 getrouwd met de twee jaar oudere Maria Meewis, dochter van Frans Meewis de succesvolle eigenaar van “Exportslagerij Weert” de voorloper van de ons welbekende “Limco”. Hierdoor werd de maatschappelijke positie van Jan nog eens verstevigd.

De Exportslachterij van de gebroeders Frans en Matheus Meewis aan de Parallelweg, ging na de crisis in de dertigerjaren de Bacon Factory heten en exporteerde naar Engeland, maar de export was geheel afgenomen.

Ook zij kwamen in financiële moeilijkheden en werden noodgedwongen in 1938 overgenomen door de Land en Tuinbouw Bond (LLTB) en werd “Limco”.  Overigens is de familie Meevis ook de stichter van de boerderij “Ledze hoeve” op de Schansstraat, waar Con werd geboren.

Het echtpaar werd verrijkt met 5 kinderen. Maria 1901, jong gestorven; Johannes 1903, jong gestorven, Pierre 1905; Petronella 1906 en Elsa in 1908.  Laatste trouwde in 1933 met Harry Smeets, drukker in Weert. Bij die gelegenheid kreeg Elsa een bruidsschat mee van 30.000 gulden, een toen ongehoord groot bedrag. Het is waarschijnlijk dat hiermee de financiële basis werd gelegd voor de expansie van Drukkerij Smeets.

In 1909 liet Jan op de Biest, tegenover het kasteel een villa bouwen onder architectuur van de Rotterdamse architect Kraaijvanger: Villa “Karelke” , een naam die wij nog meer zullen tegenkomen.

In 1905 kocht Jan Henderiks in Altweerterheide  80 hectare bos en heidegrond om te ontginnen. Hij betaalde voor die woeste grond 800 gulden. Dat is 10 gulden per hectare en dus 0,1 cent per vierkante meter.

De ontginning geschiedde met schop en ploeg. Om de stobben van de gekapte dennen uit de grond te trekken, werden vier paarden voor de ploeg gespannen, dus 4 p.k.  Op veenachtige gedeelten, waar de paarden niet uit de voeten konden, werden ossen ingezet.  De dagloners die op de ontginning werkten ontvingen één gulden per dag, zeg maar 10 cent per uur. Als het regende konden ze thuisblijven en werd er niets verdiend.  Maar zet die verdienste eens af tegen de grondprijs van 0.1 cent per m2!  Een dagloon van 1 gulden was dan goed voor 1000 m2 woeste grond.  Maar daar kun je niet van eten.

Driekske Lenders werd als opzichter aan getrokken. Driekske kwam uit Helden, zijn vrouw Gon Trienekens uit Maasbree. Zij woonden vanaf 1940, zoals we zullen zien, op de Wetering.  Onder leiding van Lenders kreeg de eerste ontginning van Jan vorm. Het bedrijf lag aan de huidige Karelkeweg in Altweerterheide en kreeg de naam “Karelke”, verwijzend naar Karelke Schaken (1843-1919) een “menke” van klein postuur die ter plaatse woonde en werkte voor Bolle Jan. Het gebied had al in de volksmond de naam “Bi-j Karelke” en Bollen Jan bevestigde deze naam nog eens.

Verharde wegen waren in die tijd schaars en zeker in Altweerterheide.  De kalk en de kunstmest voor de ontginning werden per schip verscheept naar het bassin in Weert, de huidige jachthave bij de stadsbrug. Daar werd het materiaal overgeladen op tramwagons van de tram van Weert naar Maaseik en terug. In Tungelroy verlaadde men de meststoffen op boerenkarren en vandaar met paardentractie naar Altweerterheide.

Bij de ontginningsboerderij werd ook een café gebouwd dat zich ook al sierde met de naam “Karelke”. Uit de nagelaten foto’s kunnen wij opmaken dat het daar erg gezellig kon zijn, voor die tijd zelfs frivool.

In 1912 richtte Jan in Weert aan de Zuid Willemsvaart een graan-, kustmest-handel en veevoederfabriek op. Tien jaar later zou Jan deze fabriek verkopen aan de Limburgse Land- en Tuinbouw Bond (LLTB) en enige tijd later werd dit een onderdeel van de Limburge coöperatie “Landbouwbelang”

 “Groot Karelke”.

In 1910 bouwde Bollen Jan aan de Bocholterweg in Altweerterheide een grote ontginningsboerderij: “Groot Karelke”. Ook weer in de typische stijl van zijn andere bedrijfsgebouwen. Momenteel in het bezit van de familie Schram, die daar inmiddels al vier generaties boert. Zij streken er in 1928 vanuit het Friese Balk neer.

Bij ernstige droogte werd de Bocholterbeek “doorgestoken” om de weilanden te bevloeien.

Ontginning van Landgoed “Het Kruis”.

Bollen Jan had in 1915 circa 350 hectaren woeste moerasgrond aangekocht, die gelegen was aan de zuidzijde van de Noordervaart in Nederweert-Eind. In samenwerking met een cultuurmaatschappij, de latere Heidemij, werden er 150 hectaren van ontgonnen en werd er een boerderij op gebouwd. Tevens liet Jan op een eiland in een ven een villa bouwen die bereikbaar was via een ophaalbrug.  Hij verbouwde er o.a. boekweit dat zijn arbeiders konden kopen voor de halve prijs. Hier maakten ze thuis pap en pannenkoeken van.

Ten gevolge van de Eerste Wereldoorlog was er voedselschaarste en grote vraag naar o.a. landbouwproducten.   Op “Het Kruis” werden toen op grote schaal peulvruchten, witte kool en koolzaad verbouwd. De smokkel van deze producten naar het oorlogsgebied in België was zeer lucratief.  De schepen wist Jan in Lozen de grens over te krijgen door met de douanen te onderhandelen.

Driekske Lenders heeft van 1915 tot 1918 op het landgoed “het Kruis” gewoond en gewerkt.

Toen na het beëindigen van de Eerste Wereldoorlog het telen van peulvruchten en aanverwante producten niet meer interessant was, heeft hij het landgoed in 1920 verkocht aan Anthony Ruys sr., die hij kende uit zijn diensttijd. Anthony Ruys sr. was afkomstig uit een Rotterdamse redersfamilie. Hij was cargadoor in Antwerpen en behartigde daar ook de belangen van de Rotterdamse Lloyd. Daarnaast was hij er de Nederlandse Consul.  De Cargadoorsfirma Ruys en Co was van 1920 tot 1961 enig aandeelhouder van: de N.V. Maatschappij tot ontginnen en exploiteren van Landerijen “Het Kruis”, gevestigd te Rotterdam.

In het begin werd er vee ingeschaard met vee uit Holland en werden de landerijen bewerkt met paarden. Wel was er al in 1935 een tractor een Renault als een van de eerste in de omgeving. De wijze van bedrijfsvoering was erg vooruitstrevend en trok belangstellenden uit de verre omgeving, zelfs uit het buitenland.

Het bedrijf had de beschikking over een eigen loswal aan de Noordervaart om meststoffen aan te voeren en landbouwproducten te verschepen. Daarnaast was er een eigen veerpont om mens en dier over te zetten. De eerste veerman was Frans Stikkelbroek, later werd het veerhuis bewoont door Piet Mertens en zijn gezin tot midden vijftiger jaren. Toen werd het pontje uit de vaart genomen omdat het overbodig was geworden wegens ontsluiting van het landgoed door wegverharding aan de zijde van Nederweert-Eind en Heythuysen. Het oude veerhuisje is er nog steeds en wordt door de familie Ruys gebruikt als vakantiewoning.  Het landgoed wordt thans nog steeds geëxploiteerd als landbouwbedrijf.

In 1961 werd het landgoed ondergebracht in een B.V. waarvan de kinderen van Anthony Ruys sr. aandeelhouder werden.  Zijn zoon mr. Anthony Ruys jr. heeft er vanaf zijn pensionering tot aan zijn dood in 1975 gewoond evenals zijn vrouw Ida Ruys-Kruimel.

Op het kruis werd bij Frans Stikkelbroek in 1935 een handboogvereniging opgericht “Nooit Gedacht” voor de landarbeiders van de ontginning ,,`t Kruis”. De doelen waren gelegen bij de woning van Frans Stikkelbroek nabij het pontveer aan de Noordervaart.

In 1943 is de handboogvereniging “Nooit Gedacht” overgebracht naar Café weduwe Zegveld-Bruijnaers gevestigd bij de Rietbrug. Zodoende zijn haar doelen meer in het centrum van enkele buurten komen te liggen.

Ontginning van de “Noordhoeve”.

Nadat Jan Hendriks “Het Kruis” had verkocht, begon hij in 1920 een nieuw bedrijf aan de overzijde van de Noordervaart (noordzijde) dat de naam “Noordhoeve” kreeg.

“Brikkenbakker” zeg maar steenfabrikant die wij kennen als peelpionier Jan van de Griendt uit ‘s Hertogenbosch. Hij had de grond in 1850 in “de Beemdjes” langs de Noordervaart gekocht om met de uit te graven klei (of leem) ter plaatse stenen te bakken voor het veenbedrijf en woningen in Helenaveen. Maar het was niet zo’n succes, daarom stootte de Maatschappij Griendtsveen de fabriek af en verkocht de grond aan de zonen van de Griendt als particulier bezit. In 1915 verwierf Jan Smits, opzichter bij de Maatschappij Griendtsveen, van zijn baas Ed van de Griendt (zoon van Jan) deze 15 hectaren grond voor de schappelijke prijs van f 800,-. Het perceel bestond uit enkele heidevelden en een ven, vermoedelijk ontstaan door het uitgraven van klei voor de steenbakkerij.

De grond werd onder toezicht van zoon Harrie ontgonnen met schop en kruiwagen. Tijdens de laatste jaren van de Eerste Wereldoorlog hadden ze van de eerste 4 hectaren ontgonnen terrein al een aardige graanopbrengst.

In 1920 werd het perceel met goede winst voor f 15.000,- verkocht aan Bolle Jan. Hij liet er een villa, de “Noordhoeve”, met agrarisch bedrijf op bouwen. Bollen Jan had daarbij nog eens 25 ha woeste grond aangekocht. Ook had hij 16 ha visvijvers aangelegd, waar karpers werden geteeld voor de export naar België, Engeland en Duitsland (Berlijn). Het water werd verkregen via een duiker uit de hoger gelegen Noordervaart, terwijl de afvoer naar de lager gelegen Platte Peel ging.

Driekske Lenders heeft er gewoond van 1919 tot 1921.

Op 31 augustus 1933 werd de “Noordhoeve” met 38.26.80 ha grond, in het openbaar verkocht, met veel verlies, voor ƒ 17.500,-  Het kwam in bezit van de kinderen Emanuel van Nieuwenhoven en Elisabeth Nouwen, broer van de grootvader van Con. Zij stichtte er twee boerderijen op.

Met zo goed als nieuwe gebouwen, woonhuis, stalling voor 30 stuks hoornvee, paardenstal, varkensstallen, grootte kippenhokken oprijlaan met weerzijden bomen, tuin-, bouw- en weiland, ter grootte van circa 22 ha, alles zeer goede grond. De visvijvers, ter grootte van circa 16 ha, zijn geheel ingedijkt.

Ontginning van de “Zuidhoeve”

In 1920 kocht Bolle Jan tegelijkertijd van diverse grondeigenaren een groot aantal uitgeveende perceeltjes grond met veel vennen (totaal ca 60 ha), waaronder ook een perceel van de familie Jonckers. Deze gronden waren gelegen tussen Sluis 14 en Sluis 13 aan de oostzijde van de Zuid-Willemsvaart.

Tegelijk dat de koop van deze veelal heidegrond speelde, kocht hij ook de al eerder genoemde 15 ha aan de noordzijde van het kanaal van Jan Smits.

De gezamenlijke passering van de akten vond plaats in café “In het Anker” van Piet Linssen. Dat café was gevestigd in de later directeurswoning van de Boerenbond, waar de familie Kirkels-Lenders lang woonde.

Veel verkopende boeren waren er om geld van Bolle Jan te beuren. Alle verkopers stonden op een collectieve koopakte. Zij hoefde niets anders te doen dan te tekenen en geld in ontvangst te nemen.  Bolle Jan had naast zijn stoel een tas vol met geld staan en werd vergezeld van zijn agent/boekhouder.

Na verdere aankopen van grond en ontginning werd op de verworven gronden in 1921 een villa en een nieuw agrarisch bedrijf van 60 ha gesticht, genaamd de “Zuidhoeve”. De gebouwen werden opgetrokken met de stenen van de afgebroken Sluis 14. Er werd een eendenkooi gebouwd voor 1000 eenden en er werden 18 ha visvijvers aangelegd voor de karperteelt.  Maar er waren kapers op de kust en regelmatig werd er gestroopt. Dat bewijst bijvoorbeeld een bericht uit de Tilburgse Courant van 16 augustus 1927.  Bij de karperkwekerij waren 1000 jonge karpers geleverd. Om ze te laten acclimatiseren had men ze in grote houten bakken in het water van de Zuid-Willemsvaart geplaatst. Onverlaten hadden ’s nachts de bakken geopend zodat de vissen in het kanaal konden ontsnappen. De genoemde krant schrijft: “Vele vissers hebben van de laffe streek der daders geprofiteerd, door verschillende karpers in hunne netten te vangen”.

Wanneer de karpers werden gevangen, werden de vissen in een paarde kar met een zeil gevuld met water erin, met de kar naar Weert naar het station vervoert. Waar ze in bakken werden gedaan gevuld met water en per trein werden ze verder vervoerd. Wanneer er vis werd afgeleverd werd er een feest gegeven, dat was voor Bolle Jan een extra extractie. Ook lag er in elke villa een danszaal.

Het gehele bedrijf werd geleid door Driekske Lenders en zijn vrouw Gon.  In 1930 brandde de boerderij af als gevolg van een blikseminslag.  Maar die werd weer opgebouwd. Driekske Lenders en zijn gezin woonde er van 1921 tot 1940.   Vanaf 1923 zat Driekske er niet meer als bedrijfsleider maar als zelfstandig pachter van de grond en de boerderij.

De exploitatie van de “Zuidhoeve” verliep in de economisch zware dertiger jaren steeds moeilijker. Dat werd nog erger door de inundaties door het Nederlandse leger in 1939 als onderdeel van de Peel-Raamstelling.

Bollen Jan, de anders zo joviale, rondborstige zakenman veranderde in een zwaarmoedige eenzame man die het zijn pachters moeilijk maakte. Ook voor Driekske Lenders werd het werken voor Bollen Jan steeds moeilijker. Hij nam ontslag en slaagde erin een pachtcontract van een landbouwbedrijf aan de Wetering te verwerven van de Noord-Hollandse levensverzekeringsmaatschappij “Het Hooge Huijs”.  Eind 1939 vestigde hij zich aan overzijde van de Zuid-Willemsvaart op het landgoed “De Wetering”.  Het landgoed was 50 ha groot, waarvan 4 ha boomgaard en 2 ha wilgen voor de twijgen. Er waren honderd populieren gekapt voor de luciferfabricage.  De wortel stompen moesten worden verwijderd, de greppels worden dichtgemaakt, waarna de grond in cultuur gebracht kon worden.

De laatste dagen van de Tweede Wereldoorlog verliepen rampzalig voor de familie Lenders. Hun huis en boerderij werd door de Duitsers in brand gestoken. Na de bevrijding kreeg de familie als noodhuisvesting een ruime houten loods afkomstig van de militaire politiekazerne uit Weert.  Naderhand werd door de levensverzekeringmaatschappij “Het Hooge Huijs” een nieuw huis en stallen gebouwd, waar de familie Lenders nog jaren gewoond heeft.

Smokkelen in de Eerste Wereldoorlog 1914-1918

In de Zuid-Willemsvaart lagen tijdens de Eerste Wereldoorlog veel bevrachte schepen te wachten om tot België toegelaten te worden. Er waren veel Nederlandse soldaten (Landstormwachten) en aan de andere kant van de grens veel soldaten van het Duitse bezettingsleger die het gebied en de transporten controleerden.

Echter hoe strenger de controle hoe lucratiever de smokkel. Bollen Jan wist dat als geen ander en hij smokkelde dan ook schepen met peulvruchten, witte kool en koolzaad de grens over.  Bij Bollen Jans meelbedrijf aan het kanaal waren in de omgeving van de silo’s Nederlandse Landstormwachten ingekwartierd die smokkel moesten voorkomen. Nederland hechtte sterk aan zijn neutraliteit en wilde de Duitsers niet provoceren.

Bolle Jan had een uitvoervergunning voor schapen aangevraagd. Maar het verlenen van de uitvoervergunning nam zoveel tijd in beslag dat het voer dreigde op te raken en de beesten dreigden te verzwakken.  Hij besluit door te pakken ook zonder het felbegeerde document, dat overigens achteraf toch afgegeven werd. Smokkel dus! De grens tussen het neutrale Nederland en het bezette België was vanaf begin 1916 afgezet met de elektrische dodendraad (2000 volt), die van Cadzand tot Vaals liep. Nogal wat mensen, onbekend met de gevaren van die hoogspanning, werden erdoor geëlektrocuteerd en gedood. In het kanaal bij Loozen hing een net tot op de bodem. Mensen die er onderdoor probeerde te zwemmen lukten dat niet. Zij moesten dan weer boven water komen waarbij zij het gevaar liepen te worden doodgeschoten. Tussen Bocholt en Kessenich vielen 37 doden!

Schapenhandelaar. Enkele dagen voor de Kerst, op 19 december 1916 loodst Bollen Jan, met behulp van enkele Weerter werklieden 800 schapen naar het door de Duitsers bezette België.

Ze trekken vanaf de ontginning “Karelke” in Altweerterheide naar Café Kurvers Tieske (kruising Bocholterweg/ Diesterbaan) waar men nog een borrel op de goede afloop nam.  De schapen grazen daar nog een paar uur voordat de tocht door het moerassige Wijfelterbroek aangevangen kan worden. De mannen gaan met 800 schapen door een stuk leeg niemandsland, een in principe door grenswachten gecontroleerd heide- en moerasgebied.

Bollen Jan geeft op die bewuste dag de werklieden Bos en Caris uit Weert opdracht een brug te slaan over de Baanbeek bij Bocholt nabij grenspaal 164.

Ze zijn binnen één uur klaar wat er op kan wijzen dat er al voorbereidende werkzaamheden hadden plaatsgevonden.  Bollen Jan kende, als eigenaar van een ontginningsbedrijf in Altweerterheide , het gebied als zijn broekzak. Hij weet dat er vlakbij Smeetshof een militaire doorgang in de dodendraad is. In de namiddag heeft Bollen Jan ter hoogte van grenspaal 164, bij de geïmproviseerde brug over de Baanbeek, een ontmoeting met de Duitse veehandelaar Hebpener uit Wegberg.

Er is maar één begaanbaar pad door het moeras dat via de Baanbeekbrug door het Hakhoutboske leidt in de richting Smeetshof naar de doorgang in de dodendraad. De stroom blijkt te zijn afgeschakeld en de kudde heeft vrij doorgang.  Opmerkelijk is dat op het moment van passeren Bollen Jan is verdwenen. Pas aan de andere kant duikt hij weer op. Kennelijk wilde hij niet het risico lopen om op heterdaad betrapt te worden.

Zevenvoudige winst op de schapensmokkel.

Eenmaal door de dodendraad op Belgisch grondgebied betaalt de Duitse veehandelaar aan Bolle Jan 79.650,- mark, ongeveer het zevenvoudige van wat de kudde toentertijd in de reguliere markt zou hebben opgebracht. De schapen gingen waarschijnlijk naar kamp Beverlo bij Leopoldsburg waar 40.000 Duitse soldaten hun Kerst vieren alvorens naar het front te vertrekken.

Het antwoord op de vraag hoe het mogelijk was dat net op het moment dat de kudde de doorgang passeerde de stroom van de draad was, moeten wij schuldig blijven. Waarschijnlijk had de Duitse veehandelaar het met de Duitse grenswachten op een akkoordje gegooid om de stroom uit te schakelen en even de andere kant uit te kijken gezien het Duitse belang op proviand voor de Kerst.

Bolle Jan praat zijn mond voorbij.

Tijdens het kaarten in de Soos  “De Engel” aan de Korenmarkt te Weert schept Bolle Jan op over zijn geslaagde smokkeltocht, terwijl vertegenwoordigers van het gezag daar ook aanwezig zijn. Hij beseft kennelijk niet of onvoldoende dat hij met zijn waagstuk de Nederlandse neutraliteit in gevaar heeft gebracht. Geen wonder dat hij niet veel later door de Koninklijke Marechaussee wordt opgepakt.   Weert houdt zijn adem in.  Smokkel, spionage en soldaten is een hoogst explosief mengsel. Zeker in dit grensgebied waar de staat van beleg heerst.  Wordt de roemruchte Bollen Jan door Justitie aangepakt zoals vele andere smokkelaars of gaat de kwestie de doofpot in?

Ballingschap en gevangenisstraf.

Justitie zet door. In febr. 1917 verschijnt Jan Henderiks tweemaal voor de Rechtbank in Roermond. Hij krijgt ½ jaar celstraf en moet in afwachting van de tenuitvoerlegging van de straf, de gevangenissen zitten overvol met smokkelaars en zwarthandelaren, het grensgebied verlaten. Hij wordt tijdelijk verbannen en strijkt met zijn gezin neer in Rijswijk.  Driekske Lenders bezoekt hem daar om t.a.v. de bedrijfsleiding instructies te ontvangen. Later als Bollen Jan zijn inmiddels tot drie maanden teruggebrachte straf in Veenhuizen uitzit zal Lenders hem ook daar bezoeken.  Ironisch genoeg neemt Jan in Veenhuizen deel aan de gebruikelijke fysieke werkzaamheden als zand kruien en spitten.

Opmerkelijk is dat er in die tijd over dit voorval in de regionale pers met geen letter over geschreven werd, wel in de kranten boven de rivieren maar hier niet. Mogelijk heeft dat te maken met een beperking van de persvrijheid in het gebied waar de staat van beleg van kracht was.

Bolle Jan hield er een Bourgondische levensstijl op na.

Jan organiseerde regelmatig feesten in zijn villa’s waarvoor hij zijn zakenrelaties, vrienden en vooral “vriendinnen” uitnodigde. Tot diep in de nacht werd er gedanst en gedronken. Naar de maatstaven van toen ging het er behoorlijk losbandig aan toe.

Ook Prins Hendrik is wel eens op de Zuidhoeve te gast geweest. Voor deze gelegenheid waren de palen langs de oprijlaan rood-wit-blauw geschilderd.

De jongens Lenders bestreken witte kippen met rood en blauwe verf net zoals de Nederlandse vlag. Vader Driekske was daar niet blij mee, maar Bolle Jan vond het wel een goede grap. Antony Ruys, de eigenaar van landgoed “Het Kruis’ had een relatie met prins Hendrik en zodoende is de prins waarschijnlijk meerdermalen in Nederweert en Weert geweest.

Harrie Lenders

Dat Bolle Jan in zijn gloriedagen ook aandacht en compassie had met degene die het niet goed hadden getroffen blijkt wel uit het gebaar dat hij in 1935 maakte naar Harrie Lenders, de gehandicapte zoon van Driekske en Gon.

Harrie was vanaf zijn geboorte gehandicapt en al twee keer naar Lourdes geweest. Hij zou dolgraag weer gaan, maar zijn slechte gezondheid stond dat niet toe. Welnu dacht Jan: “Als Moses niet naar de berg kan komen, komt de berg maar naar Moses” en hij liet in de tuin van de Zuidhoeve een Mariagrot bouwen. Hij liet het pad verharden en schonk Harrie een invalidenwagen.

Harrie overleed in 1938.

Overlijden Bollen Jan (12-7-1942).

Tot zijn dood op 66-jarige leeftijd in 1942 blijft Jan nog zaken doen in de regio met onder meer een viskwekerij en een eendenkooi. Maar zijn rijkdom was toen wel verdampt. Op het eind van zijn leven moest hij noodgedwongen zijn mooie villa op de Biest verkopen aan zijn schoonfamilie de gebroeders Meewis.

Jan stierf zoals gezegd op 66 jarige leeftijd in het huis naast villa Karelke op de Biest. (feitelijk in het St. Jans Gasthuis).

Hij wordt ter ruste gelegd in een grafkelder op het kerkhof tegen de kerk in Altweerterheide.  Jan had de bouwgrond voor deze kerk geschonken en had daar eeuwigdurende grafrechten aan verbonden.  Maar bij zijn dood was hij zo berooid, dat de twee Engelen die zijn graftombe zouden moeten sieren door de weduwe werden afbesteld. Dat is nu nog goed te zien.

Na het overlijden van Bollen Jan werden de eigendommen, de een na de ander, door zoon Pierre verkocht. De boerderij achter de villa Zuidhoeve werd in 1943 met 16 hectaren grond verkocht aan Martinus Nijnens uit Nederweert. De eendenkooi ging in 1947 naar Sjeng Pellemans.

De tweede boerderij (thans de “Zuidhoeve”werd in 1952 met 25 ha verworven door Piet Ketelaars uit Goirle.

De villa ging naar makelaar Rijpstra uit Driebergen. Pas in 1970 kwam de villa in handen van Harry Swinkels, die er met zijn gezin ging wonen.

Verslag; Hein Jansen

Reageren is niet mogelijk.
%d bloggers liken dit: